Bij de start van een onderneming denkt vrijwel niemand na over de vraag wat er gebeurt als één van de aandeelhouders langdurig uitvalt. Begrijpelijk: ondernemers richten zich op groei, klanten en nieuwe kansen. Toch ontstaan juist in zulke situaties regelmatig grote problemen, zeker wanneer twee aandeelhouders ieder 50% van de aandelen houden.
Zolang de samenwerking goed verloopt, werkt dat uitstekend. Maar zodra één van beiden wegvalt, kan de onderneming volledig vastlopen. Dat was precies de situatie in de recente zaak Laseth/Kloekenland.
Twee aandeelhouders-bestuurders hielden ieder 50% van de aandelen. Eén van hen kreeg een ernstige burn-out en viel voor langere tijd uit. Er was geen zicht op herstel en belangrijke besluiten konden niet meer worden genomen. De Ondernemingskamer kwam uiteindelijk tot een ingrijpende conclusie: de aandelen van de uitgevallen aandeelhouder moesten worden overgedragen.
Geen fraude, geen wanbeleid, geen ruzie. Gewoon pech. En toch een gedwongen vertrek uit het eigen bedrijf.
Voor veel ondernemers voelt dat intuïtief onrechtvaardig. Wie ziek wordt, kan daar immers meestal niets aan doen.
Deze uitspraak laat zien hoe krachtig de vernieuwde geschillenregeling inmiddels is geworden.
Waarom deze uitspraak ondernemers wakker zou moeten schudden
Een langdurige ziekte. Een partner die wil emigreren. Een verschil van inzicht over de toekomst. Een ondernemer die minder actief wordt of een compagnon die zijn aandacht verlegt naar een ander bedrijf. Het zijn situaties die zich in iedere onderneming kunnen voordoen. Pas dan blijkt vaak dat nooit is nagedacht over vragen als:
- Wanneer moeten aandelen worden aangeboden?
- Hoe wordt de waarde van die aandelen bepaald?
Statuten en aandeelhoudersovereenkomsten bieden daarop lang niet altijd een antwoord. In dat geval kan de wettelijke geschillenregeling een oplossing bieden.
De wettelijke geschillenregeling: wat is dat eigenlijk?
De wettelijke geschillenregeling is een wettelijke regeling die (onder andere) aandeelhouders tevens bestuurders een uitweg biedt wanneer een samenwerking duurzaam is vastgelopen. Dat kan op twee manieren.
De eerste route is uitstoting. Daarbij vraagt een aandeelhouder de rechter om een medeaandeelhouder te verplichten zijn aandelen over te dragen, omdat diens aandeelhouderschap redelijkerwijs niet langer kan worden geduld.
De tweede route is uittreding. Daarbij wil juist een aandeelhouder zelf vertrekken. Hij vraagt de rechter dan te bepalen dat zijn medeaandeelhouders zijn aandelen moeten overnemen, omdat voortzetting van zijn aandeelhouderschap niet langer van hem kan worden verlangd.
Deze regeling bestaat al langer, maar heeft sinds 1 januari 2025 aanzienlijk meer betekenis gekregen door de invoering van de Wagevoe.
Voorheen keek de rechter vooral naar gedragingen van iemand als aandeelhouder. Tegenwoordig kunnen ook gedragingen als bestuurder, werknemer of contractspartner van de vennootschap worden meegewogen.
Daardoor kan de rechter beter kijken naar wat er daadwerkelijk binnen een onderneming gebeurt.
Laseth/Kloekenland laat zien hoe verstrekkend dat kan zijn. De uitgevallen aandeelhouder had niets verkeerd gedaan, een burn-out is doorgaans geen omstandigheid die de betrokkene kan worden verweten.
Toch woog uiteindelijk het belang van de continuïteit van de onderneming zwaarder dan het behoud van zijn aandeelhouderschap.
Wat als de onderneming niet kan wachten op de uitkomst van de wettelijke geschillenregeling?
De geschillenregeling biedt dus uiteindelijk een oplossing voor situaties waarin aandeelhouders die tegelijkertijd bestuurder zijn niet meer samen verder kunnen. Maar een onderneming kan vaak niet wachten op een definitieve uitspraak. Ondertussen lopen de bedrijfsactiviteiten gewoon door. Werknemers verwachten hun salaris, klanten rekenen op continuïteit en leveranciers willen weten waar zij aan toe zijn.
Juist daarom krijgen wij regelmatig de vraag of een kort geding bij de rechtbank niet de snelste oplossing is. Dat is begrijpelijk. Een onderneming die vastloopt, kan zich moeilijk veroorloven om maandenlang in onzekerheid te blijven terwijl de aandeelhoudersprocedure loopt.
Daarbij is een kort geding bij aandeelhoudersgeschillen lang niet altijd de meest geëigende route. Een kort geding is vooral bedoeld voor spoedeisende situaties waarin snel een voorlopige beslissing nodig is. Denk bijvoorbeeld aan een verbod, een gebod, een betaling of een dwangsom.
Bij aandeelhoudersgeschillen ligt het probleem meestal dieper.
Daar gaat het vaak niet om één concrete handeling die direct moet worden gestopt, maar om een structurele blokkade binnen de onderneming zelf. Juist dan is vaak uitgebreider onderzoek nodig naar de verhouding tussen aandeelhouders, de besluitvorming binnen de onderneming en de gevolgen voor de continuïteit van de vennootschap.
Precies om die reden heeft de wetgever binnen de (nieuwe) geschillenregeling een eigen systeem van voorlopige voorzieningen opgenomen die bij dezelfde rechter kan worden ingesteld.
De Ondernemingskamer kan gedurende een geschillenprocedure tijdelijke ordemaatregelen treffen om te voorkomen dat de onderneming vastloopt. De onderneming hoeft daardoor niet stuurloos te worden terwijl de procedure nog loopt. Dat lijkt op een kort geding, maar het verschil is wezenlijk.
De rechter lost niet alles voor u op
Een misverstand dat wij regelmatig tegenkomen is dat ondernemers denken dat de Ondernemingskamer uiteindelijk zelf wel de meest praktische oplossing zal kiezen.
Zo eenvoudig ligt het niet. Binnen de geschillenregeling is de rechter in belangrijke mate gebonden aan wat partijen zelf verzoeken. Dat lijkt een technisch procesrechtelijk detail, maar kan in de praktijk beslissend zijn.
Een geschillenprocedure gaat daarom niet alleen over de vraag wie juridisch gelijk heeft. Minstens zo belangrijk is welke oplossing u aan de rechter voorlegt en hoe dat verzoek wordt ingericht.
Goede procesvoering begint daarom niet in de rechtszaal, maar veel eerder.
Liever geen openbare procedure?
Niet iedere ondernemer wil een aandeelhoudersconflict in de openbaarheid uitvechten. Dat begrijpen wij goed. Zeker wanneer vertrouwelijke bedrijfsinformatie, klantenbestanden of strategische keuzes onderdeel van het geschil zijn. Ook daarvoor biedt de (nieuwe) geschillenregeling een oplossing.
De wet maakt het namelijk mogelijk om geschillen die onder de geschillenregeling vallen aan arbitrage te onderwerpen. Dat kan via de statuten of via een aandeelhoudersovereenkomst. Partijen houden daardoor meer invloed op de procedure, de arbiters en de mate van vertrouwelijkheid.
Voor veel ondernemingen is dat een aantrekkelijk alternatief. Maar ook hier geldt dezelfde les als bij de geschillenregeling zelf: hoe beter de afspraken vooraf zijn vastgelegd, hoe kleiner de kans dat later discussie ontstaat.
Wat betekent dit voor u als ondernemer?
De belangrijkste les uit Laseth/Kloekenland is niet dat ziekte wordt afgestraft. De belangrijkste les is dat ondernemingen kwetsbaar worden wanneer vooraf niets is geregeld.
Denk daarbij in ieder geval na over:
- langdurige ziekte of arbeidsongeschiktheid;
- besluitvorming bij een impasse;
- aanbiedingsplichten voor aandelen;
- waarderingsmethoden en waarderingsdeskundigen;
- mediation, arbitrage of andere vormen van geschilbeslechting;
- tijdelijke maatregelen wanneer de onderneming dreigt vast te lopen.
Want als er niets is geregeld, kan uiteindelijk een rechter moeten bepalen wie blijft, wie vertrekt en tegen welke voorwaarden. En dat is meestal niet het moment waarop u die discussie voor het eerst wilt voeren.
Tot slot
Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel of wilt u sparren over uw statuten, aandeelhoudersovereenkomst of de gevolgen van de nieuwe geschillenregeling? Neem dan gerust contact op met één van onze ondernemingsrechtspecialisten.